Logo

Online-tentoonstelling 75 Jaar Vrijheid - dag 8

75 jaar van herdenken en vieren

In 2020 zou ‘75 jaar vrijheid’ groots worden gevierd. Op 5 mei stonden overal in het land bevrijdingsfestivals gepland, waar diverse artiesten op zouden treden. Het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen had onder andere lezingen en tentoonstellingen op de agenda staan. In onze tentoonstelling over 75 jaar vrijheid zouden zowel verhalen uit het archief en van inwoners verteld worden die de oorlog hebben meegemaakt, als de vlogs en gedichten van basisschoolleerlingen over vrijheid te zien en te lezen zouden zijn.

De wijze waarop wij de laatste jaren herdenken en vieren, is niet de manier waarop Nederland dat altijd heeft gedaan. In de eerste jaren na de oorlog lag de nadruk bij de herdenking op 4 mei vooral op de lokale gebeurtenissen. Sinds 1988 heeft het herdenken en vieren van 4 en 5 mei meer een nationaal karakter gekregen.1 Uit de archiefstukken van de verschillende Oranjeverenigingen uit de huidige gemeente De Ronde Venen vallen deze ontwikkelingen op te maken.

In Abcoude werd in 1947 de herdenking van de Tweede Wereldoorlog op zaterdag 3 mei gehouden. 4 mei viel op een zondag en veel mensen wilden uit religieuze overtuiging niet dat zo’n gelegenheid op een zondag plaatsvond. In 1947 werd bij de herdenking speciale aandacht geschonken aan verzetsstrijder Cornelis van der Lee uit Baambrugge, die op 30 april 1945 door de Duitsers werd opgepakt en doodgeschoten tijdens een sabotageactie. De herdenking in 1947 begon zaterdagavond om 19.30 uur met een stille tocht richting het graf van deze verzetsstrijder, waar een krans werd neergelegd. In het programma van de Oranjevereniging van Baambrugge stond dat de tocht ‘zal te VOET geschieden, ZONDER vlag of vaandel en in VOLKOMEN STILZWIJGEN’. Op 5 mei werd Bevrijdingsdag uitbundig gevierd. De festiviteiten bestonden uit ringsteken voor kinderen en volwassenen en ’s avonds kon men gekostumeerd voetballen.2

In 1960 werd landelijk herdacht dat het land vijftien jaar geleden was bevrijd van de Duitse bezetter. In Abcoude werd wederom op 4 mei een stille tocht gehouden. Net als dertien jaar daarvoor vond deze tocht in volkomen stilzwijgen plaats. Deze keer was er echter geen bijzondere aandacht voor de lokale verzetsstrijder.3

Dat ook in Wilnis Bevrijdingsdag in 1960 op 5 mei groots werd gevierd, weten we dankzij de opstellen van de kinderen van de christelijke basisschool uit Wilnis. De leerlingen uit de derde tot en met de zesde klas hadden namelijk de opdracht gekregen om een opstel te schrijven over Bevrijdingsdag, waar ze een prijs voor konden winnen, per klas konden drie leerlingen winnen. Ina uit klas zes beschreef hoe de dag voor haar begon met twee optochten, gevolgd door een kussengevecht, ringrijden en paling vangen. De dag werd afgesloten met ‘hard lopen op muilen en nog stoeledans’. Waar de leerlingen uit de klassen 3, 4 en 6 schreven over Bevrijdingsdag 1960, hadden de kinderen uit klas 5 waarschijnlijk de opdracht gekregen om echt een verhaal over de oorlog te schrijven. Leendert schreef over de Hongerwinter. Hij gaf duidelijk aan dat dit een verschrikkelijke tijd was, want ‘de mensen aten ratten en muizen. En de kerken lagen vol met lijken’. De eerste prijs voor een leerling uit de vijfde klas ging echter naar Bram met zijn opstel ‘Adolf Hitler komt aan de macht’. Hij vertelde in twee kantjes hoe de vijf bezettingsjaren er in Nederland uit hadden gezien; van de slag om de Grebbeberg in 1940 tot de Jodenvervolging. Daarnaast beschreef hij ook de moord op twee Duitse officieren in Putten; ‘De Duitsers hebben hierop wraak genomen. Alle mannen jonge jongens grijsaards werden in een wagon naar concentratiekampen vervoerd.’ Dat hij de eerste prijs won, komt wellicht ook doordat hij zijn opstel voorzag van tekeningen (zie afbeelding 1). De gemeente verzorgde de prijsjes voor de leerlingen.4

Digitale tentoonstelling dag 8 - 75 jaar van herdenken en vieren
Afbeelding 1. De tekeningen bij het opstel van Bram.  RHCVV, Gemeente archief Wilnis 1940 – 1988, inventarisnummer 50.11.

Landelijk nam de interesse voor 4 en 5 mei geleidelijk aan af, mede doordat de regering in 1960 had besloten om eens in de vijf jaar Bevrijdingsdag te vieren. In Mijdrecht werd bijvoorbeeld in 1971 besloten om ook de stille tocht om de vijf jaar te organiseren.5 Sinds de oprichting van het Nationaal Comité 4 en 5 mei in 1987 wordt er landelijk ieder jaar op 4 mei een nationale Dodenherdenking gehouden. Sinds 1995 is Bevrijdingsdag meer in het teken komen te staan van het vieren van onze vrijheid, in plaats van het vieren van de bevrijding zelf. Deze verandering is goed terug te zien in de hiervoor genoemde opdrachten voor basisschoolleerlingen. In 1960 werd de kinderen gevraagd om iets te schrijven over de bevrijding, terwijl de gedichten en vlogs die de leerlingen in 2020 schreven en maakten, in het teken stonden van het thema vrijheid.

Al in 1960 waren de docenten zich ervan bewust dat het van belang was om aan nieuwe generaties door te geven dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Archieven helpen ons om herinneringen en gebeurtenissen levend te houden, en nieuwe generaties om te blijven herdenken en vieren.

 

1. ‘Geschiedenis nationale viering van de bevrijding’: https://www.4en5mei.nl/herdenken-en-vieren/veelgestelde-vragen/achtergrondinformatie-vieren/geschiedenis (13-05-2020).
2. Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen, Gemeente archief Abcoude 1941 – 1990, inventarisnummer 965, 26 april 1947.
3. RHCVV, Gemeente archief Abcoude 1941 – 1990, inventarisnummer 965, 5 april 1960.
4. RHCVV, Gemeente archief Wilnis 1940 – 1988, inventarisnummer 50.11.
5. RHCVV, Gemeente archief Mijdrecht 1961 – 1988, inventarisnummer C 29.6.

Online-tentoonstelling 75 Jaar Vrijheid - dag 7

Het dagelijkse leven bij het gezin Heeringa

Op 15 mei 1940 viel Nederland officieel in Duitse handen. Hoewel dit een ingrijpende verandering was, probeerden de meeste Nederlanders hun normale leven zo goed en kwaad als dat ging, voort te zetten. Zo ook het echtpaar Heeringa uit Bilthoven. Uit de bewaarde briefwisseling met hun zoon Dirk valt op te maken dat voor hen het leven, net als dat van de meeste Nederlanders, in eerste instantie niet zo drastisch veranderde. Maar naarmate de oorlog vorderde veranderde het dagelijks leven en werden problemen als voedsel- en textieltekorten steeds meer merkbaar.

Klaas Heeringa trad in 1921 in dienst bij het Rijksarchief in de provincie Utrecht (zie afbeelding 1).1 Als rijksarchivaris volgde hij de befaamde Samuel Muller op, die wordt gezien als een van de grondleggers van de archiefwetenschap in Nederland. Heeringa was al sinds 1900 archivaris. Eerst in Schiedam en vervolgens vanaf 1911 te Middelburg als rijksarchivaris van Zeeland. Tien jaar later was hij dus rijksarchivaris te Utrecht, waar hij bleef werken tot zijn pensioen in 1933.
Zijn laatste levensjaren bracht Heeringa door in Bilthoven. In 1935 verhuisde hij met zijn echtgenote en hun zoon Dirk naar de Soestdijkseweg nr. 389. Dirk was toen bezig met zijn opleiding tot arts en verliet in 1936 de ouderlijke woning om zich als huisarts te vestigen in Slikkerveer, een dorp in de buurt van Rotterdam. Dirk onderhield met zijn ouders een intensieve briefwisseling. De brieven die Heeringa en zijn vrouw aan hun zoon geschreven hebben, zijn een aantal jaren geleden geschonken aan het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen door een kleinzoon van de oud-rijksarchivaris.2

Digitale tentoonstelling dag 7 - Het dagelijks leven bij de fam Heeringa 1
Afbeelding 1. Portret van Klaas Heeringa, rijksarchivaris.

De briefwisseling die tijdens de Tweede Wereldoorlog plaatsvond, begon op 18 oktober 1940 en eindigde in oktober 1943. Moeder Heeringa schreef veelal over huiselijk beslommeringen, contacten met vrienden en familie en de gezondheid van hen beiden. Deze onderwerpen kwamen ook vaak aan de orde bij vader Heeringa, maar daarnaast werden er ook regelmatig nieuwtjes en geruchten over de oorlog uitgewisseld. De nieuwtjes waren voor een groot deel eigen ervaringen die hij opdeed tijdens zijn wandelingen of die in en rond de omgeving van het huis gebeurden. Ontploffingen, bombardementen en toename van het treinverkeer door het afvoeren van allerhande goederen richting Duitsland (zie afbeelding 2).3 De verhuizing van de Duitse generale staf in juni 1942 naar Bilthoven had veel bouwactiviteit tot gevolg en zorgde voor veel onrust en spanning bij het echtpaar Heeringa en hun vrienden. Er was namelijk sprake van de inbeslagname van vele woningen en verplichte inkwartiering.

Een rode draad door de brieven was het (tijdelijke) gebrek aan bepaalde levensmiddelen en brandstof. Dit begon al vroeg in de oorlog. Op 7 februari 1941 wordt geklaagd dat er soms een gebrek is aan melk. Eind maart waren koffie en thee niet meer te krijgen, brandstof was toen nog wel voldoende verkrijgbaar. Naarmate de winter naderde, werden brandstoffen en voedsel steeds schaarser. Hoewel rond de jaarwisseling 1941-1942 de overtuiging groeide dat het snel afgelopen zou zijn met de oorlog, namen de zorgen over eten toe. Eieren en boter van een broer van Heeringa uit het oosten van het land waren een welkome aanvulling. Brandstof in de vorm van gascokes, gas dat van verontreinigingen was ontdaan in de vorm van grove brokken, werd op 12 januari 1942 met veel vreugde verwelkomd. Door de toenemende voedsel- en brandstofschaarste werd door echtpaar Heeringa besloten om kleiner te gaan wonen, om zodoende beter in staat te zijn het huis te verwarmen. Ze verhuisden naar de Sweelincklaan 16, waar de grotere tuin de mogelijkheid bood om zelf groenten te verbouwen. Het aanleveren van goederen via het spoor stagneerde.

Hoewel het echtpaar Heeringa voornamelijk over hun eigen beslommeringen schreef, valt tussen de regels door te lezen dat net als in de rest van Nederland, ook in Bilthoven de Joodse mensen werden vervolgd. Ook hier stonden er borden met daarop ‘Joden niet gewenscht’ en werd de bewegingsvrijheid van Joodse mensen ingeperkt.4 Dat de vervolging in de loop der jaren toenam, is ook te lezen in de brieven van meneer Heeringa. Op 15 januari 1942 schreef de rijksarchivaris: ‘Moeder kwam dan terug met berichten over jodenmishandelingen, die inderdaad ten hemel schreien’.5

De laatste brief dateert van 30 november 1943. Het is onduidelijk waarom de briefwisseling stopte. Misschien zijn er brieven verloren gegaan of ging de gezondheid van de rijksarchivaris zo sterk achteruit, dat hij geen brieven meer kon schrijven. We weten het helaas niet. Heeringa overleed op 23 december 1944.

Digitale tentoonstelling dag 7 - Het dagelijks leven bij de fam Heeringa 2
Afbeelding 2. Fragment uit de brief van 22 januari 1943.

1. Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen. Toegang 1357: Dr. K Heeringa, rijksarchivaris te Utrecht, De Bilt, beeldcollectie.
2. RHCVV, Heeringa, rijksarchivaris te Utrecht, De Bilt.
3. RHCVV, Heeringa, rijksarchivaris te Utrecht, De Bilt, 22 januari 1943.
4. RHCVV, Heeringa, rijksarchivaris te Utrecht, De Bilt, 25 december 1941.
5. RHCVV, Heeringa, rijksarchivaris te Utrecht, De Bilt, 15 januari 1942.

Online-tentoonstelling 75 Jaar Vrijheid - dag 6

Groots verzet begint klein 

Enkele maanden geleden kwam er een groep scholieren naar ons archief. Tijdens deze archiefles bekeken zij diverse archiefstukken rondom de thema’s collaboratie, dagelijks leven en verzet. Tijdens het bespreken van de opdrachten kwamen de leerlingen op de vraag ‘wanneer pleeg je nu eigenlijk verzet?’. Gezamenlijk kwamen de leerlingen tot de conclusie dat verzet eigenlijk al begon bij ‘kleine dingen’ zoals het niet inleveren van je radio.

Bij het woord ‘verzet’ wordt vaak gedacht aan het plegen van overvallen op distributiekantoren of de liquidaties op NSB-ers. Verzet was echter veel meer dan grootse of gewelddadige acties. Onder verzet worden in feite alle acties verstaan die op welke manier dan ook tegenstand boden aan de plannen van de Duitse bezetter. In grote lijnen valt het verzet in drie categorieën op te delen: passief verzet, actief niet-gewelddadig verzet en gewelddadig verzet.1

De Duitsers hadden bij de start van de bezetting opdracht gekregen zich uiterst vriendelijk te gedragen. De meerderheid van de Nederlanders was daarom ook niet direct vijandig tegenover de Duitsers, slechts een enkeling bood onmiddellijk tegenstand.2 Zoals bijvoorbeeld Abraham van Vliet uit Wilnis, mandenmaker van beroep. Enkele dagen nadat Nederland was bezet door de Duitsers, werd Van Vliet op straat aangesproken door vier Duitse officieren die hem om de weg vroegen. Hij deed echter alsof hij zowel doof als blind was, waardoor de vier heren uiteindelijk doorreden, zonder geholpen te zijn. Het was weliswaar passief verzet, het was wel de eerste verzetsdaad van Abraham van Vliet.3

Langzaam maar zeker trad de bezetter steeds strenger op en ook de vervolging van Joodse mensen nam toe. In eerste instantie mochten Joodse mensen bijvoorbeeld niet langer voor de overheid werken en vanaf 1 september 1941 werden Joodse leerlingen verplicht om naar aparte scholen te gaan.4 Enkele weken daarvoor kregen de basisscholen daarom de opdracht om een lijst op te stellen met het aantal Joodse leerlingen op hun school. De gemeente kreeg als taak om de namen van deze leerlingen door te geven. Het bestuur van de christelijke basisschool in Baambrugge had dit verzoek halverwege augustus 1941 ook gekregen, pas op 12 september kwam hun reactie binnen bij de gemeente Abcoude. Zij schreven dat op hun school weliswaar geen Joodse leerlingen zaten, maar ‘al zou dit wel het geval zijn, het onder geen beding aan uw verordening gevolg zal mogen geven, aangezien het medewerking verleenen aan het onttrekken van joodsche leerlingen aan het Chr. Onderw. In strijd is met de opdracht van Christus om het Evangelie te verkondigen aan alle creaturen’. Hoewel het bestuur wel antwoord geeft op het verzoek vanuit de overheid, maken zij wel duidelijk hoe zij over de maatregelen tegen de Joodse mensen denken.5 Hierin is duidelijk een verschil te zien met de actie van Abraham van Vliet. Het schoolbestuur maakt namelijk op een niet-gewelddadige manier duidelijk dat zij het niet eens zijn met de handelswijze van de bezetter.

Digitale tentoonstelling dag 6 - Groots verzet begint klein 1
Afbeelding 1. Herinneringen van Abraham van Vliet. RHCVV, gemeentearchief Wilnis 1940-1988, inv.nr. 216.6

Op 14 juli 1942 vond het eerste transport van Joodse mensen plaats naar kamp Westerbork, maar pas toen vanaf mei 1943 met de invoering van de Arbeitseinsatz Nederlandse mannen werden gedwongen om in Duitsland te werken, nam met name het gewapende verzet enorm in omvang toe.6

Deze trend is ook terug te zien in het verzetswerk van de al eerder genoemde Abraham van Vliet. Zijn eerste passieve verzetsdaad pleegde hij enkele dagen na de bezetting. In de oorlogsjaren die volgden bleef hij samen met zijn zonen naar Radio Oranje luisteren, terwijl dit verboden was. Toen hij in mei 1943 hoorde dat de eerste jongeman uit Wilnis was opgeroepen om in Duitsland te gaan werken, begon Van Vliet zich meer actief te verzetten. Hij heeft zich enorm ingezet om ouders te overtuigen hun zonen niet te laten gaan. Daarnaast zorgde hij samen met andere dorpsgenoten voor onderduikadressen voor de jongens. ‘Op het allerdrukste, dus de hoogste top, bedroeg dit bijna 200 stuks’. De Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) wist inmiddels ook dat in Wilnis veel personen werden geholpen om onder te duiken, waardoor er jongemannen uit het gehele land naar Wilnis werden gestuurd. Abraham van Vliet heeft ook Joodse mensen geholpen aan onderduikadressen, in de gehele oorlog ging dit om elf personen. Hierbij moet in gedachten worden gehouden dat toen vanaf 1943 in Wilnis begonnen werd om jongemannen aan onderduikadressen te helpen, de meeste Joodse mensen al waren weggevoerd. Dit is een verklaring voor het relatief lage aantal Joodse mensen dat door Van Vliet aan een onderduikadres werd geholpen.

Abraham van Vliet heeft ongelooflijk veel betekend voor het verzetswerk in Wilnis. Hij hielp bij het verspreiden van verzetskranten, maakte bonkaarten na, coördineerde wapendroppings die in Wilnis plaatsvonden, hielp velen aan een onderduikadres en hij voorzag hen ook van voedsel. Zijn rol was zo groot, dat hij al op 28 juni 1945 in Wilnis werd gehuldigd voor datgene hij tijdens de oorlog had gedaan.7 De verhalen over zijn daden zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog is in ons archief te vinden. Hij zette deze tien jaar na de bevrijding op papier, nadat hier door vrienden en familie herhaaldelijk om gevraagd was (zie afbeelding 1).

1. Nationaal Archief, ‘Tweede Wereldoorlog: verzet in Nederland’: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/zoekhulpen/tweede-wereldoorlog-verzet-in-nederland (06-05-2020).
2. Ibidem.
3. Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen, gemeentearchief Wilnis 1940-1988, inventarisnummer 216.6.
4. ‘Jodenvervolging in Nederland’: https://www.jck.nl/nl/longread/jodenvervolging-nederland (06-05-2020).
5. RHCVV, gemeentearchief Abcoude 1941-1990, inventarisnummer 904.
6. Nationaal Archief, ‘Tweede Wereldoorlog: verzet in Nederland’: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/zoekhulpen/tweede-wereldoorlog-verzet-in-nederland (06-05-2020).
7. RHCVV, gemeentearchief Wilnis 1940-1988, inventarisnummer 216.6.

Ooggetuigen van de Oorlog in Breukelen

75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn er nog steeds ooggetuigen die deze periode hebben meegemaakt. Wij vinden het belangrijk hun verhalen veilig te stellen voor toekomstige generaties. In gesprekken met Teun Mur, die deel uitmaakt van een groep mensen die zeer betrokken is bij het RHCVV, kwam ter sprake dat in Breukelen nog veel verhalen leven die nog niet zijn vastgelegd voor later. In nauw overleg is toen door Teun een groep van eenentwintig Breukelaars bijeengebracht en hebben zij hun verhaal bij ons laten vastleggen op film door Robbert Oelp.

Eind 2019 was de eerste bijeenkomst in het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen. De onderwerpen waarover gesproken werd hadden allemaal een directe link met Breukelen: Duitsers in Breukelen, het verzet, de voedselvoorziening, transport en alle problemen daaromtrent, bombardementen en natuurlijk de bevrijding. Ondertussen waren bij de gesprekken ook vertegenwoordigers van de Historische Kring Breukelen aangeschoven. Zij waren bezig met voorbereidingen voor hun jubileumnummer en konden op deze manier hun eerste voorwerk verrichten.

Het begon voorzichtig, maar al snel bleek dat de deelnemers veel met elkaar gemeen hadden en ze begonnen elkaars verhalen aan te vullen. Nieuwe herinneringen kwamen boven dankzij herinneringen van anderen. Er werd geluisterd, gediscussieerd, gelachen en ook een traantje weggepinkt. Aan het einde van de ochtend waren ze nog lang niet uitgepraat en in januari 2020 vond een tweede bijeenkomst plaats. Inmiddels was het duidelijk dat deze verhalen uniek zijn voor het dorp, maar ook herkenbaar zijn voor anderen en spreken tot de verbeelding van nieuwe generaties. Het idee ontstond daarom om een bijeenkomst te organiseren in mei 2020 om deze verhalen te vertellen aan publiek, waarbij het publiek in gelegenheid gesteld zou worden vragen te stellen. Door de coronamaatregelen is deze bijeenkomst opgeschoven naar een later moment dit jaar. Zodra er meer bekend is hoe deze bijeenkomst er uit zal zien en wanneer hij plaatsvindt, dan kondigen we het aan op onze website en in onze nieuwsbrief. De avond wordt georganiseerd met meerdere partners, waaronder de Pauluskerk en de Historische Kring Breukelen.

Oud-Breukelaars
De groep van 21 Breukelaars (niet allemaal op deze foto); Dhr. H. Boele, Mevr. C. Janzen-Roskam, Dhr. C. Pleijster, Dhr. J. Van Peer, Dhr. J. Schouten, Mevr. W. Hollemans-Sterken, Dhr. C. Stekelenburg, Dhr. M. Verkuil, Dhr. W. Verkuil, Dhr. J. Masmeijer, Dhr. J. van den Hoven, Dhr. H. de Jager, Dhr. T. Mur, Dhr. P. Burggraaf, Dhr. J. Bijlenga, Dhr. A. van Kouterik, Mevr. Touwen - van Doornik, Mevr. M. van Dijk, Dhr. J. Voorend, Dhr. R. Scargo, Mevr. B. Jansen-Kraaipoel

Het RHCVV hoopt met het vastleggen van deze verhalen bij te kunnen dragen aan het bewaren van ooggetuigenverslagen. Wij hopen ook úw verhaal te mogen horen en bewaren. Kunt u niet wachten op de bijeenkomst om deze aan ons te vertellen? U kunt ze ons altijd toesturen via post of e-mail. 
Adres: Postbus 120, 3620 AC Breukelen
Emailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Online-tentoonstelling 75 Jaar Vrijheid - dag 5

Ontwaken uit het bevrijdingsfeest

Onze tentoonstelling bevat de verhalen van de vier verschillende gemeenten (De Bilt, De Ronde Venen, Stichtse Vecht en Weesp) tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al deze lokale verhalen zijn in te passen in de algemene geschiedenis van de oorlog in Nederland. Daarom zou je voorzichtig kunnen stellen dat deze gebeurtenissen de geschiedenis van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog op microniveau vertellen.

Bevrijdingsfoto’s zijn vaak foto’s van jonge mensen die al zittend op tanks tussen de soldaten lachend in de camera kijken (zie afbeelding 1). Dergelijke foto’s staan over het algemeen symbool voor de bevrijding, die voor het grootste deel van de bevolking een feestelijke gebeurtenis was. Er zijn echter ook veel foto’s van de bevrijding waar verdriet of wraak te zien is. Foto’s van vrouwen die werden kaalgeschoren, omdat ze tijdens de oorlog een relatie aangingen met Duitse soldaten, zijn hier een duidelijk voorbeeld van. De regering had in Londen maatregelen genomen om dit soort situaties, het spelen van eigen rechter, na de bevrijding tegen te gaan. Met die maatregelen werd de basis gelegd voor de zuivering; het straffen van collaborateurs en NSB’ers.

Al in 1943 had de Nederlandse regering in Londen besloten dat Nederlanders die tijdens de oorlog ‘fout’ waren geweest, na de bevrijding zwaar moesten worden gestraft. De regering hoopte op die manier te voorkomen dat Nederlanders het heft in eigen handen zouden nemen, de foto’s van het kaalscheren van vrouwen laten zien dat dit niet overal is gelukt. Tevens moesten ook alle lagen van de overheidsorganisaties worden gezuiverd van ‘foute’ Nederlanders (zie afbeelding 2). Met het Zuiveringsbesluit van 1944 werd dit wettelijk vastgelegd.1 Deze maatregelen van de landelijke overheid drongen ook door tot de dorpen in onze regio.

Digitale tentoonstelling dag 5 - Bevrijdingsfeest 1
Afbeelding 1. Bevrijding in Breukelen. 7. RHCVV, fotocollectie Kockengen.

Direct na de bevrijding werden veel politieke medestanders van de Duitse bezetter opgepakt en vastgezet, vaak vanwege het feit dat ze lid van de NSB waren.2 Met name het gedrag van agenten werd grondig onderzocht, aangezien de politie tijdens de bezetting veelal met de Duitsers had samengewerkt. Zo werd in Vreeland een marechaussee (militair politieagent) opgepakt, omdat hij lid was van de NSB. Het gevolg hiervan was dat Vreeland in ieder geval vanaf 26 mei 1945 onvoldoende politietoezicht had. De burgemeester van het dorp schreef hiertoe de commandant van de Marechaussee aan, met het verzoek om extra politietoezicht in zijn dorp. In eerste instantie kwam er slechts een hulpmarechaussee, hetgeen volgens de burgemeester onvoldoende was, helemaal omdat hij ervan uitging dat de voormalige marechaussee ‘zijn functie in deze gemeente nimmer meer zal vervullen’.3

Geleidelijk aan werd ook het gedrag van personeelsleden van de gemeentelijke overheid nauwkeurig onderzocht. In iedere gemeente kreeg de burgemeester opdracht om een volledige lijst samen te stellen van het personeel van de desbetreffende gemeente. Daarnaast moesten de burgemeesters ook de eventueel ontvangen klachten doorgeven die zij over hun personeel hadden binnengekregen. De burgemeester van Tienhoven kreeg geen enkele klacht binnen.4 Dit in tegenstelling tot de burgemeester van Kockengen. Ook hij had het bericht ontvangen waarin hem werd gevraagd naar het gedrag van het gemeentepersoneel tijdens de oorlog. De burgemeester liet weten dat een schout van het waterschap, tegenwoordig dijkgraaf genoemd, weliswaar geen lid van de NSB was geweest, maar hij had wel veel sympathie voor die beweging gehad en bovendien was hij sterk Duitsgezind. Daarnaast verkocht hij zijn zuivelproducten, hij was namelijk veehouder, voor heel hoge prijzen (ook aan Duitsers), terwijl de armen in de gemeenten nauwelijks voedsel konden verkrijgen. De burgemeester van Kockengen had dan ook enig bezwaar tegen zijn gedrag. Hoewel het onduidelijk is of deze schout wel of niet is opgepakt, is het geen uitzondering dat zijn gedrag als bezwaarlijk werd bestempeld. Niet alleen het feit dat hij sympathie gehad zou hebben voor de NSB woog zwaar. vooral het feit dat hij gebruik maakte van de schaarste om veel geld te verdienen aan zijn goederen, terwijl zijn dorpsgenoten te weinig voedsel hadden, was bezwaarlijk.5

Het oorspronkelijke plan was dat de zuivering op 1 januari 1946 zou zijn voltooid. In de praktijk stopte men hier per 1 januari 1949 met de mee, omdat de minister van Financiën hier geen geld meer aan uit wilde geven. Achteraf is er veel kritiek geweest op de zuivering, zo zou er in het begin te zwaar zijn gestraft en duurde de zuivering te lang. ‘Vriendjespolitiek’ was tot slot ook een veel gehoord kritiekpunt. Vanwege de juiste contacten zouden heel wat verdachten zijn vrijgesproken.6

 Digitale tentoonstelling dag 5 - Bevrijdingsfeest 2a
Afbeelding 2. Affiche met militaire bekendmaking. RHCVV, gemeentearchief Loenen 1944 – 1964, inventarisnummer 229.

1. Nationaal Archief, ‘Geschiedenis van de zuivering van ambtenaren en de rechterlijke macht’: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.09.68?anchor=descgrp-context-bioghist&open=c01%3A0. (01-05-2020).
2. Joop Bouma, ‘Mensenrechten geschonden bij naoorlogse zuivering’, Trouw, 29 december 2009.
3. Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen, Gemeentearchief Vreeland 1574 – 1964, inventarisnummer 830.
4. RHCVV, Gemeentearchief Tienhoven 1650-1957, inventarisnummer 879.
5. RHCVV, Gemeentearchief Kockengen 1811 – 1988, inventarisnummer 656.
6. Nationaal Archief, ‘Geschiedenis van de zuivering van ambtenaren en de rechterlijke macht’: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.09.68?anchor=descgrp-context-bioghist&open=c01%3A0. (01-05-2020).